‘Dit is een oorlog van jullie blanken’
Kees Broere, De Volkskrant, November 7, 2008
GOMA, Democratic Republic of Congo - Olivier Muyumbu heeft zijn ouders al zestien jaar niet meer gezien. Als 15-jarige trok de Congolees de grens met Angola over, waar hij werk vond in de diamantmijnen. Later werd hij gerekruteerd door het Angolese leger. Maar nu is hij terug, in het oosten van zijn eigen land.
Muyumbu is een van de militairen die, aan de afgekapte flank van een heuvel iets buiten de stad Goma, voor het Congolese regeringsleger moet waken voor de aanval van rebellenleider Laurent Nkunda op de grootste stad in de provincie Noord-Kivu. Samen met leden van de militaire politie en met soldaten van de achttiende brigade.
Maar ook echte Angolese militairen zijn Goma binnengesmokkeld. ‘Het zijn er veel’, zegt een Uruguayaanse militair die voor zijn land deelneemt aan de VN-vredesmacht Monuc. Zoals Nkunda de steun heeft van het buurland Rwanda, zo kan het Congolese leger rekenen op steun van Angola, naast Rwanda dat andere Afrikaanse land met een goed getrainde krijgsmacht.
Goma wordt militair flink versterkt, maar Olivier Muyumbu hoopt dat het niet tot gevechten met Nkunda’s rebellen komt. Hij weet dat hij wordt ingezet door politieke krachten waarop hijzelf geen invloed heeft. En hij weet nog iets belangrijks: ‘Dat het opnieuw oorlog is, komt door de rijkdom van Oost-Congo.'
Met ‘la richesse’, zoals Muyumbu het noemt, doelt hij op de enorme bodemrijkdom van het gebied. Een rijkdom waarop niet alleen Congolese rebellen, maar feitelijk de hele wereld het oog heeft laten vallen. Het zo vaak onoverzichtelijke en altijd wrede conflict in het gebied heeft mondiale dimensies.
Zoals het bekende voorbeeld luidt: bijna iedereen in het Westen heeft een mobieltje, maar vrijwel niemand realiseert zich dat voor de productie hiervan onder meer de delfstof coltan wordt gebruikt. En nergens ter wereld wordt zo veel coltan gevonden als in de bodem van Oost-Congo.
Het is een grijs stofje. We treffen het aan op de eettafel in de woonkamer van Edgar Kizamwigiwa. Een goed katholiek, met aan de muur enorme posters van Jezus en Maria. En een handelaar in coltan en andere delfstoffen.
Kizamwigiwa bezit een mijn in Walikali. Hij kan de plek momenteel door de gevechten niet bereiken en dus is de winning van coltan tot stilstand gekomen. Maar hij heeft nog veel meer op de tafel liggen, zoals kwarts en andere mineralen ‘waarvan jullie blanken de naam beter kennen dan ik’.
Kizamwigiwa kent zijn plek in het proces. Hij laat de spullen uit de grond halen, maar het eindproduct wordt niet in Congo, maar in Europa, de VS, India en China gemaakt. Een buitenlander noemt hij ‘een blanke’. En dus zegt hij: ‘Jullie blanken zijn het die hier de beslissingen nemen, jullie blanken zijn het die hier oorlog voeren om jullie spullen te krijgen.’
Kizamwigiwa is niet de enige die zo denkt. In het oosten kan vrijwel elke inwoner uitleggen hoe momenteel de grondstoffenruzie wordt uitgevochten tussen enerzijds China, dat via president Joseph Kabila enorme contracten in de wacht sleepte voor een provincie als Katanga in het zuiden, en anderzijds de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, die door hun vriendschap met de Rwandese president, Paul Kagame, veel invloed hebben in het oosten van Congo.
Innocent Mungo heeft een bedrijf dat de eerste verwerking doet van cassiteriet. Het is een hittewerende stof, die onder meer wordt gebruikt in auto-onderdelen en, ironisch genoeg, voor de kogelmagazijnen van geweren. Mungo vertelt over ‘de hebzucht’ van rebellen en milities.
‘Iedereen wil van de bodemrijkdom profiteren, dus iedereen trekt naar die gebieden waar gemijnd kan worden.’ Maar dat niet alleen. ‘De internationale gemeenschap’, zegt Mungo, ‘profiteert van de chaos in Congo. Als jullie hier helemaal geen belangen hadden, zou het geweld zijn gestopt. De VS zouden Rwanda kunnen dwingen zich koest te houden, maar dat gebeurt niet. Vergis je niet: een meerderheid van de Congolese bevolking begrijpt dat dit jullie oorlog is.’
Al zijn er natuurlijk ook voldoende Congolezen, zoals in Goma, die van het conflict profiteren. Zij zijn het die in de stad, waar het grootste deel van het half miljoen mensen in bittere armoede leeft, de grootste huizen en hotels bouwen van het geld dat zij met de vaak illegale export van de delfstoffen weten te verdienen.
Zelfs binnen Monuc, zo heeft onderzoek uitgewezen, zelfs binnen de VN-vredesmacht van 17 duizend soldaten die naar Congo is gestuurd om de burgers te beschermen, zijn er mensen die naast hun goed betaalde baan als peacekeeper een bijbaan als geluksdelver hebben genomen. Congo is een grabbelton.
Rosette Paskazi verkoopt in haar winkel, die de naam ‘God is barmhartig’ draagt, mobiele telefoons - echte en namaak. Zonder het te weten, neemt zij woorden in de mond die een echo zijn van die van Olivier Muyumbu, de soldaat die haar moet verdedigen. ‘Coltan is rijkdom’, zegt zij. ‘Maar coltan is ook oorlog.’